Het gehoor speelt een essentiële rol in ons dagelijks leven. Gehoorverlies of slechthorendheid kan er de oorzaak van zijn dat de taal- spraakontwikkeling achter gaat lopen. Vroeger werd zeer ten onrechte vaak gemeend dat er hiermee ook een verminderde intelligentie zou bestaan. De termen doofstom en doofstommeninstituut zijn hiervan wel schrijnende voorbeelden.
Met de testen heeft men het doel om een permanent gehoorverlies van meer dan 40 dB (decibel) op te sporen.
Door de huidige vroegdiagnostiek waarbij ernstig gehoorverlies kan worden opgespoord kunnen kinderen al in een heel vroege fase worden behandeld. Vroegdiagnostiek heeft tot voordeel dat een kind beter leert spreken, dan waneer het gehoorverlies op veel oudere leeftijd wordt ontdekt.
Zodra u uw kind aangeeft bij de Burgerlijke Stand van de gemeente waar de baby is geboren, komt de procedure voor het gehooronderzoek op gang. Over dit gehooronderzoek krijgt u als het goed is een folder mee (Gehoorscreening bij pasgeborenen). Via de gemeente, wordt de Jeugdgezondheidszorg op de hoogte gebracht van de geboorte van de baby. De gehoorscreeners komen vaak bij u thuis langs, omdat niet altijd telefoonnummeers bekend zijn.
Het onderzoek wordt het liefst binnen 96 uur (4 dagen) na de geboorte uitgevoerd, met een uiterste grens van 168 uur (7 dagen).
Verblijft de baby op een Neonatale Intensive Care Unit (NICU) dan wordt het onderzoek door die afdeling verricht. Als de baby drie weken na de geboorte nog in een algemeen ziekenhuis ligt neemt de Jeugdgezondheidszorg medewerker contact op met de ouders. Is de baby snel thuis te verwachten, dan wordt het onderzoek op de gewone wijze thuis uitgevoerd. Gaat de opname veel langer duren, dan wordt de screening in het ziekenhuis gedaan volgens de AABR methode.
De eerste test gebeurt door middel van de zogenoemde OAE methode (Oto Akoestische Emissies). Ouders noemen het vaak die gehoortest met de dopjes in de oren.
Als de test, die meteen bekend is voldoende is wordt daarmee het onderzoek afgesloten. De screener geeft het door aan het Centrale Administratiesysteem van de Neonatale gehoorscreening. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het RIVM.
Is de test aan één of beide oren onvoldoende, dan wordt de test overgedaan., met dezelfde methode. Blijkt het nu nog onvoldoende, dan wordt er een afspraak met de ouders gemaakt voor een gehoortest met de zogenoemde AABR methode. Wanneer ook deze methode een onvoldoende gehoor aangeeft, wordt het kind verwezen naar één van de Audiologische centra in Nederland.
© Mijn Kinderarts 2010