Als de baby van top tot teen wordt bekeken, beginnen we bij het hoofdje en de schedel. Aanvankelijk is het hoofdje nog vervormd door de ligging in de baarmoeder en het bekken. Dat die vervorming optreedt is maar goed, want daardoor wordt de passage door het nauwe baringskanaal vergemakkelijkt.
Schedelvorm. Bij kinderen die tijdens de zwangerschap in een stuitligging hebben gelegen zie je dat goed aan de vorm van hun hoofdje. Het is naar achteren toelopend afgeplat. Dit blijft zo de eerste maanden en zelfs bij een jaar kan je het nog wel een beetje zien. Uiteindelijk is de vorm van de schedel helemaal normaal geworden.
Als je over het hoofdje aait voel je richels. Dat is normaal, want het zijn de plaatsen waar de schedelbotten tegen elkaar aan liggen. Later blijven ze ook goed voelbaar. Voel maar eens bij het achterhoofd, waar een soort driehoek zit van het achterhoofdsbot met de ertegen liggende botdelen. Als de baby een paar dagen oud is kan je ook goed de fontanel voelen.
Er zijn eigenlijk twee fontanellen. De grote fontanel en de kleine fontanel. De grote fontanel is te voelen als een deukje in het bot. Het is een soort kruispunt, waar drie schedelbeenderen bij elkaar komen en waarbij dan het centrale deel niet door bot is bedekt. Onder de huid zit bij de fontanel geen bot maar een stevige vliezige plaat. Je kunt de huid een beetje heen en weer zien gaan, gelijk met de ademhaling. Dat komt omdat als de baby ademt de druk in het systeem in het hoofdje mee verandert. Het is helemaal normaal.
De kleine fontanel is bij de meeste kinderen niet goed te voelen. Als de baby te vroeg is geboren gaat dit wel gemakkelijker.
Over de grootte van de fontanel zijn altijd veel vragen. Eigenlijk is de grootte niet heel belangrijk. Een grote fontanel die niet zo groot is of matig is te voelen heeft weinig betekenis als het hoofdje normaal groeit en geen afwijkende vorm krijgt. Hetzelfde geldt ook voor het sluiten van de fontanel. Het vroeg sluiten van de grote fontanel is niet iets bijzonders. Ook hierbij is het belangrijk of de schedelomtrek normaal verloopt en of er geen afwijkende schedelvorm is ontstaan. Er is onder kinderen een zeer grote variatie in het tijdstip waarop de fontanel sluit.
Wanneer de grote en misschien ook de kleine fontanel heel groot zijn, moet aan een verbeningsstoornis van de schedelbeenderen worden gedacht. De kinderarts kan zien of het mogelijk binnen een bepaald syndroom valt. Vaak gaat het hierbij om tamelijk zeldzame aandoeningen.
Oren. De oortjes verschillen van baby tot baby. Er zijn erg veel verschillen in de vorm en de grootte. Er zijn wel een aantal betrekkelijk zeldzame syndromen, waarbij er een afwijkende vorm van de oren bestaat.
Soms zit er voor de oorschelp op de plaats van het kaakkopje een klein gaatje. Het is een aangeboren gangetje dat eigenlijk nooit problemen geeft. Soms ontsteekt het wel eens en moet dan worden weggehaald.
Er komen ook zogenoemde bijoortjes voor. Een soort tepelvormige groeisels die op de wang zitten. Ze werden vroeger afgebonden, maar tegenwoordig worden ze chirurgisch weggehaald wat naar mijn idee een mooier resultaat geeft.
Neus. Een babyneusje is klein, met ronde neusgaten. Baby's halen helemaal door de neus adem. Pas als ze een paar maanden zijn ademen ze ook door hun mondje.
Mond en kaak. Er wordt altijd gekeken of er geen defecten zijn van de kaak en het gehemelte. Vooral bij een baby is het niet zo gemakkelijk om het verhemelte goed te voelen. Als er kleine spleetjes in zitten kan je die missen. Ook het laatste stukje naar achteren toe bij het verhemelte is lastig te zien en te voelen. Het komt wel voor dat ouders of verpleegkundigen het bij toeval zien als de baby hard huilt. Wanneer de voeding door de neus terugkomt moet ook altijd goed het verhemelte worden onderzocht.
Niet zozeer direct na de geboorte, maar als de baby wat ouder is kan het opvallen dat er een trillende onderlip is. Dit komt erg veel voor en is een normaal teken op deze jonge leeftijd.
Ogen. De ogen worden niet oogheelkundig onderzocht door de kinderarts. We volstaan door te kijken naar de ogen zelf, de stand van de ogen en de oogleden.
© Mijn Kinderarts 2010