Intelligentie is een begrip dat bij veel aspecten van leerproblemen bij kinderen aan de orde komt. Voor de meeste kinderen zal het er nooit van komen dat hun intelligentie wordt gemeten. Doen zich echter problemen voor in het onderwijs of rond het gedrag van uw kind, dan zal er vaak een intelligentieonderzoek worden gedaan om uit te zoeken waar precies de oorzaak ligt van het gevonden probleem.
Ouders hebben bij kinderen vaak rapporten bij zich van psychologen die hun kind hebben getest. De inhoud valt lastig te begrijpen wanneer je niet iets meer weet over wat intelligentie is en hoe het kan worden getest.
Degene die aan de basis stond van veel wat thans over intelligentie bekend is geworden, is David Wechsler. In de dertiger jaren deed hij in de Verenigde Staten als psycholoog onderzoek naar intelligentie. Een uitspraak van hem over wat intelligentie is luidt: Intelligentie is het vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan.
De betekenis hiervan is dat het bij intelligentie erom gaat hoe je een vooropgesteld doel kunt bereiken, hoe je de gereedschappen die nodig zijn om ergens te komen kunt toepassen.
Verder gaat het erover hoe je de vele prikkels, die via de zintuigen bij je komen en je dus informatie geven weet te ordenen op een zodanige manier dat ze zijn in te passen in bestaande schema's. Dus dat je wat belangrijk is kunt toepassen en wat onbelangrijk is weet te negeren.
Tijdens het leren komt er veel informatie op ons af. Het hangt van de intelligentie af hoe snel een kind snapt hoe het die aangeboden informatie moet toepassen. Hierbij komt ook de snelheid om de hoek kijken, waarop we een leerproces doormaken. Als het goed is leren we steeds sneller de informatie op te slaan en toe te passen.
In grote lijnen wordt het opslaan van informatie geregeld door een aantal met elkaar samenwerkende functies in onze hersenen. Dat zijn: taalbegrip, begrip van wat we zien, aandacht en het geheugen. Het komt later bij de intelligentietesten nog terug.
Behalve door tamelijk vaste factoren zoals de deels in de erfelijkheid vastgelegde intelligentie, wordt ons functioneren ook beïnvloed door meer van buitenaf afkomstige zaken. Deze kunnen positief en negatief uitwerken op ons uiteindelijke functioneren. Het blijft steeds een vraag hoe de samenhang is tussen de erfelijke factoren en de omgevingsfactoren. Met name door tweeling-onderzoek kan hierop een antwoord worden verkregen. Omgevingsinvloeden op het zich ontwikkelende kind blijken dan wel degelijk van invloed te zijn. Met andere woorden; het is voor een kind belangrijk of het in een gezin opgroeit waarin het op positieve wijze wordt gestimuleerd.
Positief zijn een stimulerende ondersteunende omgeving, waarin een beroep wordt gedaan op nadenken over stappen en het onder ogen zien van gevolgen. Negatief zijn een of andere vorm van emotionele verwaarlozing, onderstimulatie en angst.
Kinderen zijn nog in ontwikkeling. De intelligentie die op een bepaald moment wordt gemeten is daarom ook altijd een momentopname in een langer lopend proces.
© Mijn Kinderarts 2010