Wij gaan ervan uit dat gedrag wordt aangeleerd. Dat maakt het dus ook mogelijk dat we gedrag dat we ongewenst vinden ook weer kunnen afleren. Voordat het zover is moeten we inzien dat er een volgorde is waarin de gebeurtenissen zich afspelen. Het is helemaal niet gemakkelijk om dit inzicht te krijgen, maar al doende leert men. Begin met makkelijke gevallen en pas dan daarop onderstaande volgorde toe.
De volgorde bestaat uit: een prikkel - het gedrag - het gevolg of de consequentie.
In principe gaan we ervan uit dat gedrag dat een kind, of volwassene, laat zien altijd vooraf is gegaan door een bepaalde prikkel of stimulans. Dit kan een bepaalde situatie zijn waarin men verkeert, een bepaalde plek, een bepaalde persoon; alles wat de aanleiding vormt tot het gedrag wordt als zodanig genoemd.
Voorbeeld Stel er is een kind dat altijd 's avonds uit bed komt en naar beneden komt om zijn ouders te vertellen dat het niet kan slapen.(Een voor velen herkenbare situatie). Het gedrag hierbij is het naar beneden komen en het zeuren om even te mogen zitten en wat te drinken: de stimulans voor dit gedrag was het alleen op de kamer in bed liggen. Lang niet alle kinderen zullen bij soortgelijke situaties zulk gedrag laten zien. Voor ons maakt het niet uit. We gaan kijken hoe gedrag beïnvloed kan worden en daarom zullen we als derde en laatste nog iets noemen, namelijk het gevolg of de consequentie. Dit is de manier waarop met het gedrag wordt omgegaan. In dit geval is het zo dat het kind na het naar beneden te zijn gekomen, even op de bank mag zitten, waar de ouders televisiekijken. Hij krijgt nog een glaasje melk te drinken en krijgt nadat er nog een beetje gezellig gekletst is te horen dat hij nu echt naar bed moet gaan, omdat iedereen van zijn klas al wel zal slapen.
Er zijn in dit verhaal drie kanten aan het gedrag te zien: de voorafgaande situatie of stimulans, het gedrag zelf en de consequentie, en de wijze waarop met dit gedrag wordt omgegaan.
1. De stimulans of prikkel.
In grote lijnen zijn er vier verschillende redenen waarom gedrag tot stand komt:
- het ontlopen van een vervelende ervaring;
- het krijgen van iets tastbaars;
- het krijgen van aandacht;
- het bevredigen van een innerlijke behoefte;
Deze vier redenen zijn hier weergegeven omdat ze ook de sleutel vormen tot de wijze waarop gedrag kan worden afgeleerd.
2. Het gedrag zelf.
Alvorens gedrag te kunnen veranderen, zal men eerst dit gedrag goed moeten omschrijven. Vaak zal er steeds in een bepaalde situatie hetzelfde gedrag te zien zijn. Het is belangrijk om dat eens goed nader te bekijken en te zien hoe de volgorde van de gebeurtenissen daarbij is.
3. De concequentie, en de wijze waarop met het gedrag wordt omgegeaan.
In de gedragsleer en bij de opvoeding is het belangrijk dat men goed kijkt naar de zogenoemde consequentie van het gedrag. De consequentie heeft een directe relatie met het gedrag. In ons voorbeeld is de consequentie het op de bank bij de ouders komen zitten. In het algemeen zijn de consequenties van het gedrag óf te zien als een vorm van beloning of een vorm van straf. In het voorbeeld is het overduidelijk dat er geen straf wordt gegegeven op het uit bed komen en dat het gedrag dus wordt beloond. Beloning wordt ook wel bekrachtiging van het gedrag genoemd. Er is hier sprake van een positieve bekrachtiging. We moeten er daarom van uitgaan dat het gedrag hierdoor in stand zal blijven. Als je gedrag wilt 'afleren" is een negatieve bekrachtiging zoals straf een hulpmiddel, of het gedrag kan worden genegeerd.
Straf1.
1Er zijn situaties dat een straf voor het kind juist een beloning vormt. Het is dan dus in plaats van een negatieve bekrachtiging, juist een positieve geworden, met als gevolg dat het gedrag blijft bestaan.
Voorbeeld. Als Danny in de klas altijd onder rekenles zit te klieren en andere kinderen in de klas van hun werk houdt, is het voor hem geen straf als hij de gang op wordt gestuurd. Immers hij hoeft nu niet meer bij de rekenles te zitten waaraan hij juist zo'n hekel heeft.
Sommige kinderen ervaren van hun ouders weinig aandacht. Ze zouden die aandacht wel heel graag willen hebben. Door vervelend te doen krijgen ze straf en bemoeit één van de ouders zich in ieder geval met hen.
Straf moet in evenwicht zijn met datgene waarvoor het wordt gegeven. Net als een beloning moet passen bij iets wat is gepresteerd, zo moet ook een straf passen bij de soort overtreding die er is gebeurd.
Bedenk verder dat heftige boosheid van u voor met name jonge kinderen heel beangstigend kan zijn en flinke indruk kan maken. Als er voor relatief kleine overtredingen zware straffen worden gegeven, zal dat een kind angstig en onzeker maken.
Ook moet de beloning / straf passen bij de leeftijdsfase van het kind. Dit zal dus per kind en per leeftijd verschillen.
© Mijn Kinderarts 2010