Wat wordt eronder verstaan?

Print deze pagina

 

Het Persoonsgebonden budget (PGB) is er voor mensen die extra ondersteuning nodig hebben vanwege een ziekte of handicap. Het gaat om zorg die is geregeld via de zogenoemde Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) Voor bepaalde indicaties kan men een PGB aanvragen. De aanvraag wordt beoordeeld door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ toetst de aanvragen vervolgens op grond van de CIZ Indicatiewijzer.

Ongeveer 110.000 personen hebben een PGB. In 2010 was er voor het PGB ongeveer € 2,1 miljard beschikbaar.

Zodra een PGB is toegekend, moet men zelf de hulpverlening daarbij zoeken. Men moet afspraken aangaan met bepaalde hulpverleners, contracten afsluiten, het geld verdelen onder de ingeschakelde aanbieders van zorg en tenslotte een verantwoording kunnen afleggen voor het beheer van het toegewezen budget. Dit vergt veel van iemands boekhoudkundige vaardigheden. Eventueel is daarbij hulp mogelijk. Ook is het mogelijk dat men het beheer overlaat aan bijvoorbeeld een thuiszorgorganisatie.

Wanneer er hulp of verpleging nodig is bij langdurige ziekte kan dit bij het CIZ worden aangevraagd. De aanvraag kan door een hulpverlener worden gedaan, zoals een huisarts of thuiszorginstelling, door de patiënt zelf of door de ouders of verzorgers van een minderjarig kind (onder 18 jaar).

De AWBZ onderscheidt vijf soorten zorg, die ook wel functies worden genoemd:

  • Persoonlijke verzorging- als er hulp nodig is voor de dagelijkse verzorging. Dit kan te maken hebben met douchen, aankleden, medicijnen innemen et cetera. Voor kinderen gaat men ervan uit dat de ouders een zorgfunctie ten opzichte van hun kinderen hebben. Zie Gebruikelijke zorg.
  • Verpleging- als er thuis medische hulp nodig is. Denk aan wondverzorging, toediening van medicijnen via infuzen, zuurstofbehandeling thuis.
  • Begeleiding- Dit heeft ook meer met ouderen te maken en slaat op ondersteuning van iemand in het dagelijks leven. Het kan gaan om begeleiding van een groep of begeleiding van een persoon.
  • Verblijf1- als iemand niet meer zelfstandig kan wonen. Het gaat dan om een tijdelijk of permanet verblijf in een verpleeg- of verzorgingstehuis.
  • Behandeling- hierbij gaat het om herstel of verbeteren van een aandoening en het voorkomen dat de aandoening erger wordt. Revalidatie na een ongeval of hersenbloeding vallen hier bijvoorbeeld onder.

1 Sinds juli 2007 worden indicaties onder de functie verblijf beschreven in zorgzwaartepakketten (ZZP's) zie hiervoor informatie van het ministerie van VWS.

Of er AWBZ zorg via een PGB kan worden gegeven wordt beoordeeld door het CIZ. Er wordt dan ook gekeken naar wat de ouders of het kind eventueel zelf kunnen doen.

Hierbij wordt er rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

  • Gebruikelijke zorg. Hieronder wordt verstaan de normale zorg die ouders aan een kind geven. Zo is het normaal dat zij het kind verzorgen, voor de opvoeding zorgen en voor bijvoorbeeld vervoer naar clubjes of sportactiviteiten. Het spreekt vanzelf dat deze ouderlijke zorgplicht wel afhankelijk is van de leeftijd van het kind. Hoe jonger het is, hoe meer van de ouders verwacht mag worden, dat zij bijdragen aan de verzorging.
  • Respijtzorg. Hieronder verstaat het CIZ de zorg, die tijdelijk door anderen dan de ouders wordt gegeven. Het is mogelijk dat een chronisch ziek kind, dat voortdurend door zijn ouders wordt verzorgd, om de ouders te ontlasten tijdelijk andere zorg krijgt. De ouders krijgen dan gelegenheid om tijdelijk de zorg over te dragen zodat zij niet overbelast raken.
  • Mantelzorg. Van mantelzorg wordt gesproken als de zorg voor een partner, of familielid langer duurt dan drie maanden. Hierbij is het dus zo dat familie, vrienden, buren hulp bieden. Zolang er vrijwillige mantelzorg is, wordt de AWBZ niet ingeschakeld. Valt de mantelzorg om welke reden dan ook weg dan moet een AWBZ zorg worden aangevraagd.
  • Andere grenzen aan AWBZ- zorg. Er zijn situaties waarbij er op meerdere wetten of voorzieningen een beroep gedaan kan worden. Het kan zijn dat een dergelijke wet voorrang heeft op de AWBZ. Dat wordt een "voorliggende voorziening" genoemd.

Eigen bijdrage. Wanneer men een persoonsgebonden budget aanvraagt, moet men er rekening mee houden dat er een verplichte eigen bijdrage is. Deze is inkomensafhankelijk en wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop men recht heeft.

Veel informatie is te vinden op de website van Per Saldo, de belangenvereniging van mensen met een persoonsgebonden budget.

 

Niet onder een PGB vallende hulp:

Voor rolstoelen, krukken, of huishoudelijke hulp kan men bij de gemeente terecht. Men maakt dan gebruik van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Dit is dus een gemeentelijke voorziening, waarbij de gemeente wel de expertise inroept van het CIZ. Vanuit de WMO is wel een PGB aan te vragen voor bepaalde hulpmiddelen, die langere tijd gebruikt gaan worden. Te denken valt dan aan aanpassingen in de woning, een rolstoel of een aangepaste fiets.

Naast PGB en WMO is er nog de TOG regeling. Dit staat voor Tegemoetkoming Ouders voor Thuiswonende gehandicpte kinderen. Het geeft ouders die vanwege de handicap van hun kind extra kosten moeten maken de meogelijkheid om deze voor een deel te compenseren. Sinds 1 april 2010 zijn de regels hiervoor aangescherpt.

Het gaat om een regeling voor gehandicapte kinderen tussen 3 en 18 jaar, die minstens vier dagen per week thuis wonen, en die een indicatie hebben voor AWBZ zorg of begeleiding van minimaal 10 uur per week. Hierbij is een dagdeel 4 uur. Aan de TOG regeling zijn geen inkomensgrenzen. De aanvraag voor de TOG regeling verloopt via de Sociale Verzekerings Bank (SVB).

 

© Mijn Kinderarts 2010