Basisinfo over plassen en poepen

Print deze pagina

Onder zindelijk worden, verstaat men dat een kind de controle heeft gekregen over waar en wanneer het naar de wc of op een potje gaat, voor de ontlasting of het doen van een plas.

Voor die tijd zijn er een aantal fasen die het kind doorloopt. Een jonge baby heeft nog geen controle over de kringspieren. Er is nog geen controle door de hersens over het tijdstip en de plaats waar gepoept of geplast wordt.

De blaas van een baby functioneert helemaal zelfstandig. Als er een bepaalde vulling is ontstaan wordt er via een reflex voor gezorgd dat de bekkenbodemspiertjes die de blaashals dichtknijpen zich ontspannen en dat de spier in de wand van de blaas zich samentrekt. Zodoende wordt er een plas gedaan. Het plassen stopt pas als de blaas helemaal leeg is. Een baby bekommert zich totaal niet erom of, waar en wanneer hij plast. Hij heeft met andere woorden nog geen besturing vanuit de hersenen over de functie van zijn blaas.

Zo gaat het ook met de ontlasting. Wanneer er een bepaalde vulling van het laatste deel van de darm is ontstaan, wordt dit als signaal doorgegeven. Dit is het aandrang gevoel. De baby perst dan en ontspant daaarbij de kringspier van de anus. In het begin is er nog geen goede coördinatie tussen persen en ontspannen van de kringspier. Dit leidt tot veel gepers en het lijkt wel of de baby een verstopping heeft, maar dat is niet zo. Als de baby ouder wordt, zo vanaf het midden van het eerste levensjaar, kan hij goed persen en gelijktijdig de kringspier ontspannen.

De bekkenbodem is een complexe groep spiertjes, die ervoor zorgen dat urine en ontlasting door spierwerking en door bindweefselbanden kan worden opgehouden. De spiertjes staan onder controle van zenuwen, die weer hun informatie vanuit de hersenen ontvangen.

Als de spiertjes in de bekkenbodem te frequent en te lang wordt aangespannen, omdat het kind bijvoorbeeld steeds uitstelt om te gaan plassen, wordt de blaas niet meer geheel leegeplast. Het aandrang gevoel om te gaan plassen is dan eigenlijk steeds aanwezig. Het zal nog versterkt worden, doordat ook de ontlasting veelal wordt opgehouden. 

Omdat de kringspier van de blaas niet geheel sluit komt er regelmatig urine in de afvoer van blaas naar buiten terecht, wat voor het kind (vaak meisjes) betekent dat het voortdurend kleine beetjes urine kan gaan verliezen. Dit beeld staat bekend onder de term: dysfunctional voiding.

 

© Mijn Kinderarts 2010