Sonde inbrengen
Voor het succesvol plaatsen van de sonde is het belangrijk om de volgende stappen steeds precies zo uit te voeren. Hierdoor wordt er voorkomen dat er een onderdeel wordt vergeten of overgeslagen. De stappen zijn:
- Vertel uw kind als het dit kan begrijpen precies wat u gaat doen.
- Zuigelingen kunnen het beste liggen als een sonde bij ze wordt ingebracht. Peuters laat men ook liggen, of houdt ze op schoot. Oudere kinderen kunnen blijven staan of zitten.
- Was goed uw handen.
- Zet alles klaar wat u nodig heeft.
- Bepaal eerst de lengte van het stuk van de sonde dat moet worden ingebracht. Dit doet men door vanaf de neus, achter het oor langs naar het maagkuiltje, net onder het borstbeen, af te passen. Maak een stukje pleister op de plaats vast waar u uitkomt. De lengte moet zo precies mogelijk worden uitgekozen. Een te korte sonde ligt niet in de maag, maar in de slokdarm. Als de sonde te lang is kan hij omkrullen in de maag waardoor het uiteinde naar boven komt te liggen en zo in de slokdarm uit kan komen. Daardoor is er het risico dat er voeding via de sonde omhoog komt. Daarin kan uw kind zich verslikken of erger er kan zo voeding in de long terecht komen.
- Bevochtig de sonde iets met water en breng hem langzaam door een neusgat naar binnen. Gebruik afwisselend het linker en rechter neusgat.
- Bij zuigelingen gaat het over het algemeen gemakkelijk, als men enige handigheid ermee heeft gekregen. Als het kind meewerkt kan het geleerd worden te slikken, zodra het voelt dat de sonde in zijn keel komt. Grotere kinderen kunnen ook een slokje water nemen om zo de sonde gemakkelijker door te kunnen slikken.
- De sonde moet nu worden vastgeplakt. Dit gebeurt als eerste op het neusje. Hierbij maakt men een lus om de sonde en plakt beide uiteinden vast op de neusrug. Daarna herhaalt men dit met een tweede pleister. tenslotte wordt de sonde vastgeplakt op de wang. Hiervoor wordt vaak een zogenoemde kaasplak gebruikt. Dit is een kunsstof op een echte plak kaas lijkend stukje dat met een plaklaag wordt vasgeplakt op bijvoorbeeld de wang. Hierop kan de sonde dan worden vastgezet. Deze plak beschermt de huid tegen de inwerking van de pleisters op de huid.
- Controleer de ligging van de sonde. Dit moet altijd gebeuren voordat er sondevoeding wordt gegeven.Gebruik hiervoor een spuitje van 2 of 5 ml. Spuit het met lucht gevulde spuitje leeg. Luister onderwijl met uw oor op de maagstreek van uw kind. Als het goed zit hoort u een beetje borrelend rommelend geluid.
- Wordt het kind onrustig bij het inbrengen en hoort u niet goed of hij goed zit, haal dan de sonde er weer uit en probeer het opniew zodat u zeker weet dat hij niet verkeerd zit. BIj twijfel moet de sonde niet worden gebruikt.
- Wordt de sonde eruit gehaald, maak dan eerst de pleisters op de neus los en trek na eerst de sonde te hebben afgekneld met een gestage maar rustige beweging hem uit de neus. Dit afknellen is nodig om te voorkomen dat bij het uithalen voeding in de keel komt.
|