Voedselallergie

Print deze pagina

Voedselallergie

               Voedselallergische reactie van de huid.

 


Ziektebeeld

Voedselallergie kan zich op drie verschillende plaatsen voordoen: de huid, luchtwegen of het maagdarmkanaal. Bij baby's gaat het hoofdzakelijk om koemelkeiwitallergie, bij oudere kinderen komt ook allergie voor tegen andere voedingsmiddelen.

Hoewel een hoger perecentage wordt verondersteld, komt bewezen koemelkeiwit allergie maar bij 3% van de zuigelingen voor.

 

Huidverschijnselen zijn: roodheid, constitutioneel eczeem, galbulten of netelroos (urticaria), zwelling van oogleden en lippen (angio-oedeem), of van de handen.

 

Luchtwegverschijnselen zijn: hooikoortsachtige verschijnselen, met een verstopte neus, loopneus, roodheid en zwelling van de oogleden (allergische rinitis en conjuntivitis) en astma.

 

Maag-darmverschijnselen zijn: braken, voedselweigering, diarree, rectaal bloed verlies, krampen, ontroostbaar huilen,  verstopping en groeivertraging.

 

Het zal duidelijk zijn dat niet alle bovenstaande verschijnselen gelijktijdig zullen voorkomen. Toch moet er wel een zekere samenhang zijn. Baby's die alleen overmatig huilgedrag vertonen, met kolieken zonder andere van bovenstaande symptomen, hebben zeer waarschijnlijk geen voedselalergie.

 

Een ernstige algemene allergische reactie kan voorkomen als een zogenoemde anafylactische reactie. Zie hiervoor algehele allergische reactie.

 



Oorzaken

Eeen allergische reactie op voeding komt tot stand doordat er op het voedingsmiddel een antigeen zit dat door het lichaam als vreemd wordt herkend. In het bloed zijn antistoffen aanwezig die samen met dit antigeen, dat meestal een eiwit is, een verbinding aangaan met bepaalde cellen. Hierbij komen dan stoffen vrij die in het lichaam de reactie veroorzaken.

Bekende voedselallergenen zijn te vinden in:

  • Koemelkeiwit
  • Kippeneiwit
  • Pinda
  • Soja
  • Noten
  • Vis
  • Schaaldieren
  • Tarwe

Over het algemeen is er een allergie voor één voedingsmiddel, hooguit twee. Een allergie voor drie voedingsmiddelen is al behoorlijk zeldzaam en meer dan drie komt eigenlijk nauwelijks voor.



Onderzoeken

Bij verdenking op een voedselallergie kan zowel door middel van bloedonderzoek, als via een huidpriktest gekeken worden of er antistoffen in de huid of het bloed aanwezig zijn. Dit wil echter nog niet zeggen dat men een allergie voor die voedingsmiddelen heeft. De testen zijn daarvoor niet  genoeg betrouwbaar. Daarom moet er nog een zogenoemde voedselprovocatietest worden gedaan (Zie hieronder bij Meer weten). Als die aantoont dat er een reactie is, kan pas van een bewezen voedselallergie worden gesproken.

 

De bloedtesten waarbij een voedselallergie kan worden aangetoond, zijn de laatste jaren sterk verbeterd. Dit wil zeggen dat er bijvoorbeeld vroeger te vaak de diagnose pinda-allergie is gesteld terwijl kinderen dat helemaal niet bleken te hebben. De verfijning zit hem erin dat nu beter dan in het verleden bekend is welke eiwitten in de pinda verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van een allergische reactie. Men kijkt daarom nu tegen welke van die eiwitten er antistoffen in het bloed van het kind aanwezig zijn. De antistoffen die bij allergie zijn betrokken zijn van de IgE klasse en in mindere mate ook van de IgG soort.



Behandeling

Om voedselallergie te voorkomen, wordt geadviseerd tijdens en na de zwangerschap niet te roken en om het eerste half jaar uitsluitend borstvoeding te geven. Als er bijvoeding nodig is wordt er gekozen voor een hypoallergene melk.

 

Als het voedingsmiddel niet meer wordt gegeven, moeten de klachten sterk verbeteren. De behandeling bestaat dus uit het bewust weglaten van een voedingsmiddel.

Voor baby's met koemelkeiwit allergie is er echter een probleem, omdat zij nog wel de andere bestanddelen van melk moeten binnenkrijgen. Hiervoor heeft men babyvoeding gemaakt die gegeven kan worden bij zuigelingen met koemelkeiwitallergie (eiwithydrolysaat).

Dit is niet de hypo-allergene voeding, die baby's krijgen als aanvulling bij borstvoeding, of als flesvoeding wanneer zij risico lopen om allergisch te gaan reageren.

 

Bij voedselallergie gaat het om kleine hoeveelheden van het voedingsmiddel. Het kan lastig zijn voor ouders om altijd te weten wat er in voeding zit. Zo wordt pinda-olie vaak voor allerlei toepassingen in de voedingsindustrie gebruikt.

 

Een allergische reactie op een voedingsmiddel waarbij er een algehele allergische reactie voorkomt (anafylaxie) is bij kinderen erg zeldzaam. Deze kinderen behoren thuis en op school een injectiepen te hebben waarbij in noodgevallen adrenaline in de beenspier kan worden gegeven.



Veelgestelde vragen

Gaat koemelkallergie over?

Antwoord: Ja, na het derde jaar reageert een groot deel van de kinderen niet meer allergisch op koemelk. Men zegt nu dat het kind tolerant is geworden voor koemelk. 

Komt het veel voor dat de melk die moeders drinken bij een borstgevoede baby koemelkeiwitallergie veroorzaakt?

Antwoord: Nee, dat is betrekkelijk ongewoon. Wanneer het toch voorkomt, moet aan de moeder worden geadviseerd om sojamelk te drinken. Het is wel belangrijk dat bij een baby die borstvoeding krijgt en verdacht wordt van een voedselallergie goed onderzoek wordt gedaan. Bij een zogende moeder kunnen, als zij allerlei voedingsmiddelen niet meer gaat gebruiken, sneller tekorten optreden. Overleg met een diëtist is dan aangewezen.

 

Kan mijn kind dat een kippeneiwitallergie heeft worden gevaccineerd met BMR vaccin, omdat het spoortjes eiwit bevat?

Antwoord: Het risico op een allergische reactie bij kippeneiwit allergie na een BMR vaccinatie is minimaal. In de praktijk kunnen kinderen er gewoon voor worden gevaccineerd, ervan uitgaande dat het om een in Nederland geregistreerd product gaat. De griepprik en een reizigersvaccinatie tegen gelekoorts mogen aan kinderen met een aangetoonde kippeneiwitallergie niet worden gegeven.



Meer weten

Om te bewijzen dat er sprake is van bijvoorbeeld een koemelkeiwitallergie, dient er een eliminatie (het weglaten van koemelk) en daarna een belasting (het opnieuw  geven van koemelk) te worden uitgevoerd. Hieronder is aangegeven hoe de eliminatie verloopt bij een kind dat borstvoeding krijgt en als een kind kunstvoeding krijgt.

De belasting wordt in twee fasen gedaan. Bij deze belasting wordt de ene keer koemelkeiwit gegeven en de andere keer een melk die geen koemelkeiwit bevat. De volgorde waarin het wordt gegeven is echter onbekend.

 

Eliminatie bij borstvoeding.

Gedurende 4 weken worden een aantal voedingsmiddelen uit de eigen voeding van de moeder weggelaten. Dit zijn:

  • Koemelk en alle producten die koemelk bevatten;
  • Kippenei, en alle producten die kippenei bevatten;
  • Soja en alle producten die soja bevatten;
  • Vis, schaal- en schelpdieren;
  • Noten en pinda's;
  • Zaden en pitten;

Er hoeft in deze periode geen vervangend melkproduct te worden genomen. Wel is het belangrijk om voldoende te blijven drinken.

 

Eliminatie bij kunstvoeding.

Gedurende 4 weken wordt de gebruikelijke flesvoeding vervangen door een  voeding zoals te gebruiken bij een ernstige koemelkeiwitallergie.

 

Als de klachten verminderen kan na 4 en 6 weken de belasting worden uitgevoerd via een zogenoemde "dubbelblinde placebogecontroleerde koemelk provocatie test" (DPKP). Deze test wordt na twee weken herhaald. De overgrote meerderheid (60-80%) van de kinderen met een vermeende koemelkeiwitallergie heeft overigens een negatieve test.

Uitgesloten van een dergelijke test worden kinderen die een ernstige allergische reactie hebben laten zien1.

 

Eliminatie koemelk uit

voeding

Minimaal 4 weken

   1e Tesdag     

1-2 weken

Wedereom         

eliminatie

    2e Testdag       

Eliminatie  wordt

voorgezet tot verbreken

sleutel

 

Wat houdt deze test in?

Na een periode van minimaal 4 weken komt u met het kind dat 's morgens nuchter is gehouden in het ziekenhuis. Er wordt dan een lichamelijk onderzoek verricht om voorafgaande aan de test goed te weten hoe de lichamelijke toestand is. Als er nog veel klachten zijn wordt de test niet verricht. Als het kind vrijwel zonder klachten is, wordt in een opklimmende hoeveelheid steeds meer melk te drinken gegeven volgens onderstaand schema.

 

Tijd in minuten              Hoeveelheid
t=0 10 ml
t=20 20 ml
t=40 30 ml
t=60 40 ml
t=80 60 ml
t=100 90 ml

 

Noch de ouders of het kind, noch de verpleegkundige die de test uitvoert, noch de arts weten of op de testdag koemelkeiwit wordt gegeven of dat de aangeboden melk géén melkeiwit bevat. Daarom wordt het "dubbelblind" genoemd.

Op beide testdagen wordt er goed gekeken hoe de reactie van het kind is op de gegeven voeding. Pas als de oude klachten terugkomen, na het op een testdag toedienen van koemelkeiwit, is een koemelkeiwitallergie bewezen.

 

 

Zodra bij uw kind een koelelkeiwitallergie is vastgesteld, kan de "gewone"zuigelingenvoeding niet meer worden gebruikt. Er wordt dan voeding voorgeschreven, waarin de eiwitten zijn gesplitst. Men spreekt dan van een eiwithydrolysaat.

Er zijn verschillen in hoever de splitsing is doorgevoerd. Na de splitsing blijven er nog ketens over van aminozuren. Men gaat ervan uit dat wanneer er nog maar acht aminozuren een keten vormen het lichaam dit niet meer als eiwitdeel herkent.

 

Er zijn verschillende merken babyvoeding. De meesten hebben ook zuigelingenvoeding voor baby's met koemelkeiwitallergie. Het verschil is gelegen in de mate van splitsing en of er van wei-eiwit of caseïne gebruik is gemaakt. Dit zijn de twee eiwitten die in koemelk voorkomen. Er wordt wel gezegd dat de splitsing bij caseïne hydrolysaat beter is. De verschillen zijn echter waarschijnlijk niet van grote betekenis.

 

In de zeer zeldzame situatie dat ook op de eiwithydrolysaten allergisch wordt gereageerd, kan worden overgegaan op een voeding waarin alleen nog losse aminozuren voorkomen. Deze laatste voedingen zijn zeer kostbaar. Zij worden alleen door de kinderarts voorgeschreven. 

1Onder een ernstige reactie verstaat men een reactie waarbij er een Müller stadium III en IV is geweest. De indeling volgens Müller beschrijft de stadia in allergische reactie.

 

Müller I: Jeuk van de huid, opkomende huiduitslag, netelroos en zwelling van de huid van handen of in het gelaat.

 

Müller II: Maag- darmverschijnselen, met braken, buikkramp, diarree. Rood worden en zwelling van lippen tong en keel.

 

Müller III: Benauwdheid, heesheid, piepen, piepende inademing.

 

Müller IV: Shock verschijnselen.

 

Veel informatie is verder te vinden op de site van de Nederlandse stichting voedselallergie.