
Asymmetrische beenplooien en verkorting van het linker beentje.
Heupdysplasie, congenitale heupdysplasie (CHD), of dysplastische heupontwikkeling is een afwijking van het heupgewricht. Normaal staat de heupkop precies in de kom. Bij een heupdysplasie heeft de kop onvoldoende vorming van de kom gegeven. Hierdoor schuift de kop als het ware uit de kom naar boven toe. Het gevolg hiervan is dat bij onderzoek de heup niet over de volle omvang is opzij te bewegen.
Het beste wordt dit gezien aan de in de knietjes gebogen beentjes, die niet goed opzij te bewegen zijn. Meestal komt dit maar aan één kant voor. Omdat de kop van het dijbeen naar boven afglijdt komt het beentje aan die kant hoger te staan. Dit geeft een verkorting van de beenlengte aan die kant.
Daardoor komt er soms een extra plooi in het verkorte been. Héél veel baby's, tot wel 30% hebben echter zulke
asymmetrische huidplooien in het bovenbeen. Als het onderzoek verder geen bijzonderheden toont in de functie van de heup aan die kant en er ook geen beenlengteverschil is heeft het hebben van asymmetrische plooien geen betekenis.
Wanneereen congenitale heupdysplasie wordt gemist op de zuigelingenleeftijd, zal het kind later bij het lopen een waggelende loop krijgen. Het missen van een congenitale heupdysplasie is ernstig omdat het voor het kind betekent dat het in de jeugd een aantal operaties moet ondergaan. Op oudere leeftijd komt het vroeger tot arthrose. Dit is wat in de voksmond een versleten heup wordt genoemd.
Wanneer een baby in stuitligging ligt, drukt de kop van de heup niet centraal op de kom. Hierdoor kunnen kop en kom zich niet goed gaan ontwikkelen. Dit is de reden dat kinderen die in stuitligging hebben gelegen op de leeftijd van drie maanden voor onderzoek bij de kinderarts terug komen.
Heupdysplasie komt vaker in families voor. Als één van de ouders of een broertje of zusje een heupdysplasie heeft gehad komt de baby in aanmerking voor echo-onderzoek van de heupen op de leeftijd van 3 maanden.
Congenitale heupluxatie komt in verhouding meer voor bij meisjes dan bij jongens.
De veel ernstiger toestand van een heupluxatie komt vooral voor bij kinderen met spasticiteit, waardoor de heup door de voortdurende kracht van de eraan gehechte spieren naar boven wordt getrokken. Bij kinderen met een ernstige spasticiteit is het altijd de vraag, hoe dit het beste kan worden behandeld.
Er wordt bij routinematig onderzoek op het consultatiebureau op de heupfunctie gelet. Er wordt verder tevens gekeken naar de beenlengte, door te kijken of de knietjes als ze zijn gebogen even hoog staan.
Bij het onderzoek na de geboorte is het soms te volen dat de heup uit de kom kan worden geduwd. Dit komt door de nog losse bandjes en de slappe spieren om het heupgewricht die de baby dan heeft. Kinderen uit risicogroepen, zoals bij degene bij wie het in de familie voorkomt en na een stuitligging worden allen al bij drie maanden door de kinderarts gezien.
Na het onderzoek wordt een echo-onderzoek afgesproken. Bij dit onderzoek kan er toch nog twijfel rijzen over de heup. In dat geval wordt er alsnog een aanvullende röntgenfoto gemaakt.
Bij een aangetoonde heupdysplasie wordt de baby doorverwezen naar een orthopedisch chirurg. Op de polikliniek wordt daar een zogenoemde spreidbroek aangemeten. De baby houdt deze spreidbroek gedurende ongeveer twee maanden.
Indien er hiermee niet voldoende resultaat wordt bereikt, moet wellicht operatief worden ingegrepen. Daarmee wordt de heup goed in de kom teruggezet. Na de operatie krijgt de baby een gipsbroek.
Is het erfelijk?
Antwoord: Een congenitale heupdysplasie komt vaker in families voor. Er is zeker erfelijkheid. Hoe de overerving is kan niet worden gezegd, maar bij eerstegraads familie moet er op de leeftijd van drie maanden onderzoek naar de heupjes worden gedaan.
Wordt er niet meteen een röntgenfoto gemaakt?
Antwoord: Nee in handen van een ervaren radioloog is een echo-onderzoek even betrouwbaar.
Het beloop van de congenitale heupdysplasie (CHD) is eigenlijk een langzaam verslechterend beeld dat loopt van een dysplasie tot een volledige heupluxatie. Bij deze laatste toestand staat de heup niet meer in de kom, maar is hij door de kracht van de spieren uit de kom naar omhoog getrokken.
Bij kinderen met een scheefstand van het hoofd, komt wat meer heupdysplasie voor. Dat kan een reden zijn om bij twijfelgevallen een echo van de heupen te maken.
Meer informatie over dit onderwerp voor ouders en patiënten is ook te vinden op de website van de Vereniging aangeboren heupafwijkingen.