De taal- en spraakontwikkeling verloopt bij ieder kind weer anders. Er bestaat een grote spreiding tussen de tijdstippen waarop kinderen met hun taal een bepaalde mijlpaal hebben bereikt.
Bij de beoordeling van de spraak- taalontwikkeling van kinderen moet met deze variatie rekening worden gehouden. Sommige kinderen zijn heel vlot met praten terwijl anderen nog lang fouten in het taalgebruik blijven maken.
Uiteraard is het van belang om tijdig kinderen te herkennen bij wie de taalontwikkeling vertraagd verloopt. Daarvoor is het nodig dat er inzicht bestaat over wat voor kinderen een norrmale taalontwikkeling is.
Er worden verschillende methoden gebruikt om de taalvaardigheid van een kind te beoordelen. Zo hanteert het consultatiebureau voor de beoordeling van de ontwikkeling van het kind het zogenoemde van Wiechenschema.
Een verfijndere methode is de SNEL. Dit staat voor Spreek Normen Eerste Lijn. Voorts zijn er de Groninger Minimum Spreeknormen (GMN). Een nadeel van deze laatste test is dat het taalbegrip hierbij niet wordt beoordeeld.
Er is een combinatie gemaakt, waarbij de SNEL en de GMN worden gecombineerd. Deze test heet de Gereviseerde Minimum Spreeknormen (G-MS). De drie testen staan hieronder weergegeven.
Voor de verdere ontwikkeling van het kind is 't belangrijk dat een achterstand in taal-spraakontwikkeling bijtijds wordt herkend. Ook moet dan vervolgens naar de oorzaak van de achterstand worden gekeken.
Een achterstand in de taal-spraakontwikkeling, moet eerst worden vastgesteld. Er wordt weleens gedacht dat kinderen lui zijn om taal te leren. Er wordt dan nodeloos afgewacht op iets wat niet vanzelf gaat komen. Op die manier wordt er kostbare tijd verloren omdat door goed onderzoek of behandeling het kind al veel verder had kunnen zijn.
Een belangrijke oorzaak is slechthorendheid. Omdat vrijwel alle kinderen na de geboorte op hun gehoor worden onderzocht, zal het waarschijnlijk niet gaan om niet ontdekte stoornissen van het binnenoor of de gehoorzenuw. Vaker betreft het door verkoudheden of luchtweginfecties veroorzaakte vermindering van het gehoor.
Voorts hebben ook kinderen met een geestelijke achterstand vaak een al vroeg herkenbare verlate taal- spraakontwikkeling.
Ook bij kinderen met een contactstoornis of een vorm van autisme, komt de taal laat op gang. Bij hen is het vaak het eerste teken dat er iets aan de hand is met de ontwikkeling van het kind.
Als een kind laat is met praten is het belangrijk dat door een deskundige wordt vastgesteld hoe het taalniveau zich heeft ontwikkeld.
Als globale mijlpalen kan men zeggen dat de meeste kinderen hun eerste herkenbare woordjes beginnen te zeggen tussen 12 en 18 maanden.
Hierbij komen de woorden nog wel vaak in verkorte vorm voor. Zo kan trein tein worden.
Een erg belangrijke mijlpaal is voorts de samenvoeging van twee woorden. Deze zogenoemde tweewoordzinnen of uitingen moeten worden gehaald voor 2 jaar en 6 maanden. Voorbeelden daarvan zijn: mamma doen, poes stout, of nie badje. Het kind geeft in een tweetal woorden beknopt aan wat het vindt of wil.
Hieronder staan de SNEL, GMS en G-MS, met de leeftijden waarop bepaalde mijlpalen moeten worden behaald. Er is hierbij aangegeven wanneer 90% van de kinderen een item kan. Er is te zien dat de twee woordzinnen door 90% van de kinderen voor de leeftijd van 2½ jaar worden gezegd.
| Leeftijd |
SNEL Geselecteerdemijlpalen |
GMS(Groninger minimum spreeknormen) |
G-MS(gereviseerde minimum spreeknormen) |
| 12-18 maanden |
Begrijpt opdrachtjes met twee woorden.
Kan één of meer lichaamsdelen aanwijzen.
|
Veel en gevarieerd brabbelen met af en toe een herkenbaar woord
|
Begrijpt opdrachtjes met twee woorden.
Kan één of meer lichaamsdelen aanwijzen
Veel en gevarieerd brabbelen met af en toe een herkenbaar woord
|
| 18-24 maanden |
Zegt ongeveer 10 woordjes. |
Enkele woordjes (tenminste 5) |
5-10 woordjes |
| 2-2½ jaar |
Begrijpt zinnetjes met drie woorden.
Kan twee woordjes combineren
|
Tweewoorduitingen: woordopbouw nog onvolledig |
Begrijpt zinnetjes met drie woorden
Tweewoorduitingen; woordopbouw nog onvolledig
|
| 2½-3 jaar |
Maakt zinnetjes met drie woorden |
Twee en drie woorduitingen;woordopbouw nog onvolledig |
Driewoorduitingen;woordopbouw nog onvolledig |
| 3-3½ jaar |
Maakt zinnetjes met drie en vier woorden. |
Drie- tot vijfwoorduitingen |
Drie tot vijf woorduitingen
Ongeveer de helft is verstaanbaar
|
| 3½-4 jaar |
Vertelt spontaan wel eens een verhaaltje. |
-
50-75% verstaanbaar
|
Vertelt spontaan wel eens een verhaaltje
50-75% verstaanbaar
|
| 4-5½ jaar |
Kan een verhaaltje navertellen aan de hand van plaatjes
Ongeveer 75% is verstaanbaar
|
-
Enkelvoudige zinnen;problemen met meervoudsvormen en vervoegingen
75-90% verstaanbaar
|
Kan een verhaaltje navertellen aan de hand van plaatjes
Enkelvoudige zinnen;problemen met meervoudsvormen en vervoegingen.
75-90% is verstaanbaar
|
| > 5½ jaar |
Lange ook samengestelde zinnen |
Goed gevormde, ook samengestelde zinnen
Goed verstaanbaar
|
Goed gevormde, ook samengestelde zinnen
Goed verstaanbaar
|
| |
Bijna alles is te verstaan
Spreekt ongeveer als een volwassene
|
Concreet taalgebruik |
Concreet taalgebruik |
Onderzoek en behandeling vinden plaats door de logopedist. Ook hebben logopedisten speciale kennis over de verschillende afwijkingen in taaluiting bij kinderen. Hiermee wordt bedoeld dat zij op grond van hoe een kind fouten maakt in zijn taalgebruik kunnen aangeven waardoor dit is ontstaan.
Wat kan ik doen om de taalontwikkeling van mijn kind te stimuleren?
Antwoord: Er zijn verschillende manieren waarop u uw kind kunt helpen met het ontwikkelen van het taalgebruik.
- Praat op een normale manier naar uw kind. Dus gewone zinnen maken, zonder hierin babytaal te gebruiken. Als u bijvoorbeeld zegt: wat een leuke hond is dat daar, klinkt dat beter dan tjee leuke woef woef zeg.
- Lees vaak voor of vertel verhaaltjes aan uw kind.
- Ga er echt voor zitten om samen met uw kind in een plaatjesboek naar wat daar gebeurt te kijken en daag ook uw kind uit om dingen te vertellen wat het ziet.
- Laat liever niet muziek of de televisie aanstaan als u met uw kind bezig bent met voorlezen of plaatjes kijken.
- Kinderen laten vertellen wat ze hebben meegemaakt, stimuleert heel sterk de taalontwikkeling.
- Ook broertjes en zusjes stimuleren als ze samen met uw kind spelen de ontwikkeling van de taal.
Moet ik mij zorgen maken als mijn kind bepaalde mijlpalen in de taal-spraakontwikkeling niet heeft bereikt?
Antwoord: Het is niet zo dat ieder kind dat een mijlpaal een keer niet haalt meteen een ontwikkelingsachterstand heeft. Als het echter lijkt of uw kind nog lang niet zover is dat hij het onderwerp gaat halen , dan is er wel noodzaak om verder onderzoek te doen. In het voorbeeld van de twee woordzinnen is het als uw kind drie jaar is en hij dit nog niet kan wel duidelijk te laat.
Er is relatief weinig relatie tussen vlot kunnen praten en de totale intelligentiescore. Kinderen die snel kunnen praten hebben vaak wel een goed ontwikkeld zogenoemd Verbaal IQ , maar kunnen een normaal zogenoemd Performaal IQ hebben. Dat laatste zegt onder andere iets over het ruimtelijk inzicht.
© Mijn Kinderarts 2010