Wanneer bij een meisje op dertienjarige leeftijd nog géén borstvorming is opgetreden en bij een jongen op de leeftijd van 14 jaar nog géén testikelvolume groter dan 4 millliliter* is gekomen wordt gesproken van een trage puberteit. De medische term hiervoor is pubertas tarda.
* Zie onderzoeken
Vaak zullen erfelijke factore een rol spelen. Het blijkt dan dat één van de ouders of beiden, laat in de puberteit zijn gekomen. Veelal kunnen moeders zich nog goed de leeftijd waarop hun eerste ongesteldheid kwam herinneren. Vaders weten meestal wel of zij in hun klas gemiddeld waren met het krijgen van puberteitskenmerken, of dat zij er betrekkelijk laat mee waren.
Een aantal chronische ziekten, zoals ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, veroorzaken een later intredende puberteit. Verder zijn nog oorzaken zeer intensief sporten, anorexia nervosa , een aantal syndromen, zoals dat van Turner, Klinefelter, Prader- Willi en bestraling oorzaken van een verlate puberteit.
Allereerst wordt een volledig lichamelijk onderzoek gedaan. Hierbij wordt gekeken in welk puberteitsstadium het meisje of de jongen is. Bij jongens wordt het testikelvolume gemeten, door middel van vergelijking met een kralensnoer dat de testikelgrootte voorstelt.
Het is belangrijk om de groeigegevens uit de voorafgaande jaren te hebben. Bij kinderen met een erfelijke vorm van late puberteit is te zien dat zij altijd aan de onderkant van de groeilijn zijn gegroeid voor de gemiddelde lengte van hun ouders.
Verder kan met een polsfoto worden gekeken of er ten opzichte van de leeftijdgenoten een achterstand in botrijping is te zien.
Eventueel wordt ook bloed afgenomen voor verder onderzoek naar de hoogte van de hormonen. (zie meer weten)
Wanneer een erfelijke vorm van een late puberteit bestaat is geen behandeling nodig en kan afgewacht worden tot de puberteit spontaan begint.
Wanneer een jongen of meisje veel problemen heeft met de uitblijvende puberteit, kan in een bepaald puberteitsstadium, met testosteron of oestradiol worden behandeld. Hiermee krijgen de hormonen als het ware een zetje om wat sneller aan de puberteit te beginnen.
Wat zijn de verwachtingen voor de lengte als mijn kind nog niet in de puberteit is gekomen?
Antwoord: De eindlengte valt bij kinderen met een trage rijping vaak prima uit. Zij komen later in de puberteit en profiteren daarmee van het langer kunnen doorgroeien.
Als meisjes bang zijn dat ze nog een grote lengte krijgen door de late groeispurt kan enigszins ter gerusstelling worden genoemd dat de groeisnelheid ten tijde van de groeispurt wat minder is dan bij de snelle rijpers. Dat valt dus daarom wat mee.
Hoe de puberteit verloopt is bij de meeste kinderen bepaald door erfelijke en lichamelijke factoren. Wanneer één van de ouders bijvoorbeeld erg laat in de puberteit kwam, is er grote kans dat een zoon of dochter dat ook gaat doen.
Bij het ontstaan van de secundaire geslachtskenmerken spelen eigenlijk drie hormoon producerende orgaansystemen een rol. Dit samenspel verloopt via een regelcircuit dat samen wel de hypothalamo-hypofyse-gonade-as wordt genoemd.
1. Hypothalamus. Dit is een in de hersenen gelegen gebied dat het hormoon LHRH (Luteinizing Hormone Releasing Hormone) ook wel GnRH (gonadotropin Releasing-Hormone) genoemd aanmaakt. Dit hormoon wordt aan het begin van de puberteit actief en stimuleert op zijn beurt de hypofyse.
2.Hypofyse. Dit is een onderaan de hersenen hangende kersgrote klier, die diverse hormonen produceert. Twee ervan, het LH (Luteïniserend hormoon) en het FSH (Follikel Stimulerend Hormoon) zijn van belang omdat zij de geslachtsklieren, de gonaden, dus eierstok en testikel aanzetten tot de aanmaak van testosteron, het mannelijk hormoon en oestradiol, het vrouwelijk hormoon.
3. Eierstok en testikel. De eierstok en de testikel nemen in grootte toe onder invloed van het LH en FSH. Ook de uitrijping van eicellen in de follikels en de productie van zaadcellen gebeurt door het LH en FSH. De hormonen testosteron en oestradiol zorgen voor de mannelijke en vrouwelijke geslachtskenmerken.
De geslachtskenmerken ontwikkelen zich tijdens de puberteit. Deze wordt ook wel puberteitsontwikkeling genoemd. Om vast te kunnen leggen welk puberteitsstadium er is heeft men een indeling gemaakt waarbij de verschillende stadia staan beschreven en afgebeeld. De meest gebruikte is de indeling volgens Tanner. Hierin is stadium I het stadium voordat er zich puberteitskenmerken voordoen en stadium V en VI het volwassen stadium.
Naast deze effecten zijn er ook nog effecten op andere organen. Zo krijgen meisjes door de oestrogenen meer vetweefsel op hun lichaam, vooral de heupen en raken jongens door mannelijk hormoon meer gespierd. Jongens krijgen een lage stem, door verandering in het strottenhoofd. Later krijgen jongens ook een snor en baardgroei.
© Mijn Kinderarts 2010