Wanneer bij een meisje vóór het achtste jaar de borstvorming begint wordt gesproken over een vervroegde puberteit (pubertas praecox).
Bij jongens is sprake van een te vroege puberteit als de testikels in grootte gaan toenemen, vóór het negende jaar. Wanneer het testikelvolume > 4ml wordt komt een jongen in de puberteit. Voor het meten van het testikelvolume wordt gebruik gemaakt van een kralensnoer dat verschillende testikel groottes weergeeft, oplopend van 1 naar 25 milliliter.
Wanneer meisjes op de leeftijd van 1-3 jaar vroegtijdige borstvorming hebben, is dit vrijwel nooit iets afwijkends. Het gaat niet gepaard met een doorlopende toename van de borstgroei en er is geen abnormale toename van de lengte. Verder zijn er ook geen kenmerken van schaambeharing. Het heet met een medische term premature thelarche.
Er zijn meisjes die al vroeg een paar schaamhaartjes vertonen en soms ook wat okselhaar. Ouders ruiken ook al wel een beetje okselgeur erbij. Het is wanneer het niet samenhangt met borstvorming een onschuldig iets waar eigenlijk verder niets bij hoeft te worden onderzocht. De kinderarts die deze meisjes meestal ziet zal wel de eerste tijd kijken hoe de lengtegroei verloopt.
Het voorkomen van deze vroege beharing heet met een medische term premature adrenarche.
Er is een groot verschil in oorzaken tussen jongens en meisjes. Bij de laatsten heeft het bijna altijd een centrale oorzaak. Daarmee wordt bedoeld dat om onduidelijke redenen de hormonen die bij de puberteit zijn betrokken te vroeg beginnen te werken.
Bij jongens is dit veel minder het geval en komt het meer door hormonen die elders in het lichaam worden geproduceerd. Met name moet daarom worden gezocht naar bijvoorbeeld hormoon producerende tumoren. Het is daarom van het grootste belang dat bij deze kinderen verder onderzoek wordt ingezet naar wat de oorzaak is van de vroege puberteit.
Bij zowel jongens als meisjes vindt uitvoerig bloedonderzoek naar verschillende hormonen plaats. Mogelijk wordt ook MRI onderzoek gedaan van de hersenen, bijnieren of eierstokken.
De behandeling is sterk afhankelijk van welke oorzaak er wordt gevonden als verklaring voor de te vroege puberteit. Onderzoek en behandeling worden over het algemeen gedaan door kinderartsen met speciale ervaring in deze aandoeningen.
Kon ik als ouder iets doen om dit te voorkomen?
Antwoord: Nee deze aandoeningen van het hormoonsysteem zijn niet te voorkomen. Het komt niet door iets in de zwangerschap, een verkeerd dieet of tekorten aan voedingsstoffen.
Waarom moet een kind met een vroge puberteit worden behandeld?
Antwoord:In de eerste plaats moet de oorzaak worden opgespoord. Daarbij kan het zijn dat er geen verklaring voor de vroege puberteit wordt gevonden. Echter er kan ook een tumor worden gevonden die moet worden behandeld.
Bij een te vroeg begonnen puberteit heeft het kind minder mogelijkheid om door te groeien. De puberteit vormt immers het einde van de groei. Als niets wordt gedaanzal dit daarom tot een keine lichaamslengte leiden.
De behandeling heeft ook tot doel om de emotionele belasting die een vroege puberteit voor een kind met zich meebrengt ongedaan te maken. Wel is de behandeling ook enigszins belastend, maar weegt het niet op tegen de vroege puberteit op een leeftijd waarop kinderen hieraan nog volstrekt niet toe zijn.
Hoe de puberteit verloopt is bij de meeste kinderen bepaald door erfelijke en lichamelijke factoren. Wanneer één van de ouders bijvoorbeeld erg laat in de puberteit kwam, is er grote kans dat een zoon of dochter dat ook gaat doen.
Bij het ontstaan van de secundaire geslachtskenmerken spelen eigenlijk drie hormoon producerende orgaansystemen een rol. Dit samenspel verloopt via een regelcircuit dat samen wel de hypothalamo-hypofyse-gonade-as wordt genoemd.
1. Hypothalamus. Dit is een in de hersenen gelegen gebied dat het hormoon LHRH (Luteinizing Hormone Releasing Hormone) ook wel GnRH (gonadotropin Releasing-Hormone) genoemd aanmaakt. Dit hormoon wordt aan het begin van de puberteit actief en stimuleert op zijn beurt de hypofyse.
2.Hypofyse.Dit is een onderaan de hersenen hangende kersgrote klier, die diverse hormonen produceert. Twee ervan, het LH (Luteïniserend hormoon) en het FSH (Follikel Stimulerend Hormoon) zijn van belang omdat zij de geslachtsklieren, de gonaden, dus eierstok en testikel aanzetten tot de aanmaak van testosteron, het mannelijk hormoon en oestradiol, het vrouwelijk hormoon.
3. Eierstok en testikel. De eierstok en de testikel nemen in grootte toe onder invloed van het LH en FSH. Ook de uitrijping van eicellen in de follikelsen de productie van zaadcellen gebeurt door het LH en FSH. De hormonen testosteron en oestradiol zorgen voor de mannelijke en vrouwelijke geslachtskenmerken.
De geslachtskenmerken ontwikkelen zich tijdens de puberteit. Deze wordt ook wel puberteitsontwikkeling genoemd. Om vast te kunnen leggen welk puberteitsstadium er is heeft men een indeling gemaakt waarbij de verschillende stadia staan beschreven en afgebeeld. De meest gebruikte is de indeling volgens Tanner. Hierin is stadium I het stadium voordat er zich puberteitskenmerken voordoen en stadium V en VI het volwassen stadium.
Naast deze effecten zijn er ook nog effecten op andere organen. Zo krijgen meisjes door de oestrogenen meer vetweefsel op hun lichaam, vooral de heupen en raken jongens door mannelijk hormoon meer gespierd. Jongens krijgen een lage stem, door verandering in het strottenhoofd. Later krijgen jongens ook snor en baardgroei.
© Mijn Kinderarts 2010