Voor het goed verlopen van de voeding is het nodig dat een baby zelf kan drinken, niet ziek is en dat er geen aangeboren afwijkingen zijn in de mond en het maag-darmgebied.
Bij te vroeg geboren baby's, prematuren, is de zuigreflex nog onvoldoende ontwikkeld. Ook is de darmwerking nog onrijp, waardoor voeding in de maag en darmen niet goed wordt voortgeleid. Te vroeg geboren baby's en kinderen die veel te licht zijn voor de zwangerschapsduur kunnen voedingsproblemen hebben.
Ook als kinderen een slechte start hebben meegemaakt, door zuurstoftekort rond de geboorte, of bij een infectie, verloopt de voeding vaak moeilijk. Aangezien het te verwachten is dat er moeilijkheden gaan komen, krijgen deze kinderen vaak naast de hoeveelheid die ze zelf kunnen drinken, ondersteuning met vocht of voedingtoediening via een infuus.
Echter zelfs bij zieke kinderen proberen we altijd voeding aan te bieden. Dit wordt Minimal Enteral Feeding (MEF) genoemd. Het is behulpzaam om de darm zijn functie te laten behouden.
Aangeboren afwijkingen, zoals een schisis of kinderen met bepaalde syndromen kunnen voedingsproblemen hebben. Bekende voorbeelden hiervan zijn kinderen met het syndroom van Down en het syndroom van Prader-Willi.
Ook bij neurologische ziekten, bijvoorbeeld als de spierkracht is verlaagd, uit zich dit in voedingsproblemen.
Niet bij iedere baby zal er meteen veel onderzoek worden ingezet. Zo is het bekend dat bij te vroeg geboren baby's de voeding heel moeilijk verloopt. Naarmate ze ouder worden, gaat het steeds beter. Vanaf 34-35 weken lukt het vaak al wel om veel zelf te drinken. Hierin is een grote variatie tussen de kinderen onderling.
Als pasgeboren baby's direct veel spugen, moet gedacht worden aan aangeboren afwijkingen, zoals een afsluiting van de dunne darm of een kronkel van de darm. Hiernaar moet meteen via röntgenonderzoek of met een echo-onderzoek worden gekeken. Een vernauwing van de maaguitgang, pylorusstenose, openbaart zich meestal pas na een paar weken.
Wanneer kinderen ziek zijn en zij daardoor geen voeding via de maag verdragen krijgen ze voedingsstoffen via een infuus. Zodra de toestand van de baby het toelaat wordt snel geprobeerd om weer de voeding op de natuurlijke wijze te geven.
Wanneer ze er nog niet aan toe zijn, uit zich dit in spugen of blijkt dat de voeding niet uit het maagje loopt. Wanneer er veel voeding in de maag achter blijft, wordt dit retentie genoemd.
Te vroeg geboren baby's zijn in de eerste tijd er nog niet aan toe om zelf te drinken. Zij krijgen dan een groot deel via een voedingssonde die via de neus naar de maag loopt. Gaandeweg wordt er steeds meer voeding zelf gedronken en gaat er minder door de sonde. Vaak zijn zo tegen de termijn van 36 weken kinderen wel van de sondevoeding af, maar er zijn er bij waarbij het nog wel twee weken duurt voordat ze zover zijn.
Waarom moeten kinderen zolang sondevoeding hebben?
Antwoord: Bij te vroeg geboren baby's is het maagdarm stelsel nog onrijp en er eigenlijk nog niet helemaal klaar voor om al voeding te verwerken. Ook de mondmotoriek en het zuigen gaan nog niet zoals dat bij voldragen kinderen al wel direct goed gaat. Deze combinatie maakt dat te vroeg geboren kinderen frequente voedingen krijgen, die ze beter kunnen verdragen. In het begin krijgen ze dat bijvoorbeeld à twee uur via een sonde. Als ze ouder zijn staan ze zoals dat wordt genoemd op acht voedingen. Nog weer later worden het er zeven. Daarmee kunnen kinderen naar huis worden ontslagen. Ze gaan slechts zeer zelden met nog sondevoeding naar huis toe.
Voor te vroeg geboren baby's is er speciale voeding. Deze voeding is aangepast aan de behoeften van een te vroeg geboren baby.
Wanneer er borstvoeding wordt gegeven, bevat die voor de te vroeg geboren baby niet voldoende van alle benodigde voedingsstoffen. De voeding wordt daarom verrijkt met extra vitamines, mineralen en eiwit.