Bloedgroep en rhesusfactor

Print deze pagina

In iedere zwangerschap wordt bij de moeder in de 12e week de bloedgroep van het A B O systeem en de Rhesusfactor D en C bepaald. Ook al is dat al eerder gebeurd in de vorige zwangerschap. Tevens wordt er gekeken naar antistoffen tegen zeldzamere bloedgroepen. Dit zijn de zogenoemde irregulaire antistoffen.

De rode bloedcel heeft een aantal kenmerken op zijn celwand zitten, die bloedgroepen heten. Het zijn eiwitten met verschillende structuren. Er zijn er véél meer dan alleen het A B O systeem met A, AB, B en O. Deze laatste wordt meestal uitgesproken als nul. De aanleg voor een bloedgroep is altijd dubbel aanwezig en afkomstig van zowel vader als moeder. De aanleg A en B overheerst over O. Dus iemand met aanleg AA en iemand met AO hebben beiden bloedgroep A. Krijg je van je moeder B en van je vader A, dan krijg je bloedgroep AB.

Er bevinden zich in het bloed ook nog antistoffen die gericht zijn tegen de bloedgroepen. Geef je iemand die bloedgroep A heeft antistoffen A dan gaan die een verbinding aan met de celwand en vernietigen zo de hele rode cel. Zo heeft iemand met bloedgroep O antistoffen tegen A en tegen B. Iemand met AB heeft geen antistoffen, want dan zouden die de eigen rode bloedcellen aan gaan vallen en afbreken.

Bij bloedtransfusies moet hiermee rekening worden gehouden. Daarom wordt voorafgaande aan een bloedtransfusie het bloed van de patiënt gekruist met het donorbloed.

De bloedgroepen komen nog aan bod als het gaat over het ontstaan van geling bij de pasgeborene.

Ook bekend is het Rhesussysteem. Hiertoe behoren de factoren C, D en E. Als u te horen krijgt welke bloedgroep u heeft wordt van factor D alleen aangegeven of hij positief of negatief is. Ongeveer 15 % van de bevolking is rhesus negatief voor de factoren C en D. Het is van belang bij een zwangere te weten of zij rhesus negatief is omdat dit consequenties heeft voor de baby. Hoe zit dat in elkaar?

Iemand met bijvoorbeeld de bloedgroep A en Rhesus - (neg), heeft geen eigenschap D op de celwand van de rode bloedlichaampjes voor de rhesusfactor. Je merkt daar niets van. Als de partner van deze vrouw rhesus positief is, kunnen zij samen, omdat de baby de aanleg van hen beiden krijgt, een rhesus positief kind krijgen.

Tijdens de zwangerschap en bij de geboorte, komen er altijd bloedcellen van de baby in de bloedsomloop van de moeder. Omdat zij negatief is voor de rhesusfactor, herkent haar afweersysteem de vreemde positieve bloedcellen en begint daar vervolgens antistoffen tegen te maken. De moeder heeft daar geen last van. Immers de antistoffen kunnen op haar cellen niets beginnen omdat zij voor de factor negatief is. Zij heeft nu echter wel antistoffen tegen de positieve factor gekregen. In een volgende zwangerschap gaan deze antistoffen door de moederkoek heen en komen bij de baby in zijn bloedsomloop. Is de baby rhesus negatief, dan hebben de antistoffen er geen vat op en gebeurt er niets. Is de baby echter positief dan worden zijn rode bloedcelletjes aangevallen door de anti D antistoffen van de moeder en worden de rode cellen voor een deel afgebroken.

Om dit voor te zijn krijgen moeders die in verwachting zijn van een Rhesus D positief kind in de 30e week anti D toegediend, zodat eventuele bij haar van de baby binnengekomen D positieve rode cellen worden vernietigd en daardoor geen antistofvorming kunnen veroorzaken. Het onderzoek naar de Rhesus bloedgroep van de baby wordt in de 27e week gedaan.

Vanaf 1 juli 2011 wordt bij alle moeders die Rhesus negatief zijn in de 27e week bloedafgenomen, dat wordt onderzocht op de bloedgroep van de baby. Er komen namelijk zeer geringe aantallen cellen van de baby in de bloedsomloop van de moeder voor. Met bepaalde technieken (PCR) is het mogelijk uit het DNA van de cellen de bloedgroep van de baby vast te stellen.

Hierdoor hoeven niet alle Rhesus negatieve moeders meer te worden gevaccineerd, maar krijgen nu alleen nog de moeders die zelf Rhesus negatief zijn en in verwachting zijn van een Rhesus positieve baby de antistoffen. Dit is een belangrijke aanwinst omdat de Rhesus-antistof tamelijk schaars is. (Het moet namelijk worden verkregen van moeders die zelf antistoffen hebben aangemaakt tegen de positieve Rhesus D factor.)

Na de geboorte wordt er gekeken hoe de bloedgroep van de baby was. Als die negatief is gebleken gebeurt er niets, maar als de baby positief is voor de rhesusfactor, dan krijgt de moeder weer anti D. Zo wordt voorkomen dat bij haar van de baby afkomstige rode D positieve cellen haar immuunsysteem aan gaan zetten tot het maken van antistoffen.

Als er toch antistofvorming heeft plaatsgevonden, kan men met een ADCC test zien of er een grote kans is op afbraak van de rode cellen bij de baby. Deze test wordt in procenten uitgedrukt en wordt in het verloop van de zwangerschap meerdere keren herhaald. Als de test uitslag bijvoorbeeld 10% is wordt er niet verwacht dat de baby erg geel zal worden. Bij een uitslag van de ADCC test van 50% is er sprake van een grote kans dat de baby veel bloed afbreekt. Dat kan ook al in de baarmoeder het geval zijn en daarom let de gynaecoloog in deze gevallen extra goed op de toestand van het kind.

 

Er zijn ook nog andere bloedgroepen, zoals Duffy, Kell, waarvoor je ook positief of negatief kan zijn. Zie irregulaire antistoffen

 

© Mijn Kinderarts 2010